The Man Who Stole Banksy

Regie: 
Marco Proserpio
Cast: 
Katrin Ahmad, Alaa Al-Shallabi & Shams Aldeek
Jaar: 
2018
Duur: 
93 minuten
Genre: 
Documentaire
Waardering: 
3 sterren

De straten van Amsterdam worden sinds een paar jaar bekleed met de roze reclameposters van het jonge Moco Museum. Omdat een eigen collectie ontbreekt, presenteert het Moco Museum in plaats daarvan vooral werken in bruikleen van grote namen: onder meer Roy Lichtenstein, Salvador Dalí, maar dus ook Banksy. Ook ik viel ten prooi aan het effect van hun uitnodigende reclamecampagne en bezocht het werk van de Engelse straat- en protestkunstenaar Banksy. Het was vreemd om die werken in een museum te zien hangen. Niet dat ik het werk ooit eerder met eigen ogen in het Londense straatbeeld had gezien, maar zijn kunst werd toch niet voor niets street art genoemd?

In THE MAN WHO STOLE BANKSY geeft onze voice-over Iggy Pop met vertrouwd stemgeluid een duidelijke houvast: het gaat in deze film over een verhaal waarin “het maken van straatkunst illegaal is, maar het legaal is om het te stelen, verkopen en verzamelen”. Straatkunst is dus op zijn minst dubieus te noemen, want hoe zit dat eigenlijk wanneer een kunstenaar de straat als canvas gebruikt? Is die kunst dan van ons allemaal of van diegene waarvan dat stukje beton is? Of toch van de kunstenaar zelf?

Aanleiding hiervoor is het gestolen (of gewoon eerlijk meegenomen?) werk van Banksy dat op een muur van het Kribbeplein in Bethlehem hing. Daarop staat een Israëlische soldaat afgebeeld die een ezel vraagt om identiteitspapieren – zo’n beetje de grootste belediging in de Arabische wereld, iemand een ezel noemen. Anderen zagen er iets anders in en noemden het juist briljante kunst. Maar de Palestijnen vonden het ronduit walgelijk en zagen hun kans schoon: zij boorden de hele betonnen muur eruit, inclusief muurtekening van Banksy, en verkochten het op eBay – geld kunnen zij beter gebruiken dan een belediging.

Debuterend regisseur Marco Proserpio voelt goed aan waar het conflict ligt in zijn film. Enerzijds is dat zichtbaar in Bethlehem waar Banksy als anonieme vredesstichter activistische kunst op de muur spoot die Israëlisch en Palestijns grondgebied gescheiden houdt. Op diezelfde muur staat een grote witte vredesduif afgebeeld met een kogelvrij vest waarvoor een groepje kinderen “we love Banksy, we love Banksy!” schreeuwt. Zij zijn blij en juichen, maar hun vaders en grootvaders zijn vaak anders gestemd. Niet iedereen is gediend van het artistiek imperialisme dat onaangekondigd een diepgeworteld grensconflict komt oplossen in de vorm van graffititekeningen.

Anderzijds waagt THE MAN WHO STOLE BANKSY zich aan een chaotisch debat over straatkunst an sich. Talloze jagers en verzamelaars van straatkunst laten zich uit over hun meningen over vrije kunst en grijze begrippen zoals bezit en context. En vanaf dat moment ontstaat er een wildgroei aan zienswijzen en losse verhalen die de documentaire overneemt en Proserpio zijn eigen stem laat verliezen. Zelfs Iggy Pop houdt zich als charismatische verteller verdacht stil.

Straatkunst is in THE MAN WHO STOLE BANKSY niet meer alleen een wapen dat wordt ingezet in een conflictzone, zoals bij de Westoeverbarrière in het Midden-Oosten. Straatkunst is vooral de prijs waarvoor er gevochten wordt; galerieën, privécollecties, veilinghuizen en musea laten zich maar al te graag meenemen door de heersende goudkoorts die is losgebroken in hun concurrerende kunstwereld. En die twee (politieke en artistieke) conflicten raken elkaar af en toe, maar maken in THE MAN WHO STOLE BANKSY nergens écht landing. En dat laat een onverzadigd, vaag gevoel achter; eenzelfde gevoel wanneer je straatkunst van Banksy in een museum ziet hangen.

 

 

The Man Who Stole Banksy